Nije woartels

in mijn wieg zijn ze nooit gelegd
die klanken
waarover mijn tong nog steeds struikelt
toch zingen zij een fier lied
dat zeilt voor de wind
over sloten en meren
in een landschap bedauwd met vogels

dan tel ik er elf
parels van schoonheid
en vergaap mij aan dit stedensnoer
wat dwarsig gedrapeerd in de klei
zij bekronen de inspanning van eeuwen
eens begonnen tussen slikken en schorren

te vaak moet de winterkoorts daar nu wijken
voor sterke verhalen uit kleine glaasjes
ik zie konen vlammen
zij schieten vuur in elkaars ogen
want nooit zal het verlangen doven
naar ijs

mijn eerste adem is ver weg allang verwaaid
mijn laatste mag zich hier ooit verweven
met de wisseling van patronen
in dit wolkenland

René Romijn

 

No comments yet